VIJFDE HOOFDSTUK

Pim Termaten maakte angstige dagen door.
De gedachte, dat het toch nog uit zou komen, wilde hem maar niet uit het hoofd. Vooral het feit, dat Carl Heine de laatste vraag niet had geweten en alle andere jongens wel - behalve dan Rob en misschien Koos Feder, - vond Pim ’n lelijk ding.
Pim kon niet nalaten met Jan en Jaap Kroon er over te praten. Hij had wat bemoediging nodig.
Met een benauwd gezicht ging hij naar Jaap Kroon en zei:
„Ik ben ’n boon, als de Ouwe het niet in de gaten krijgt!”
Maar Jaap was er volkomen gerust op.
„Hoe zou die dat nou in de gaten kunnen krijgen?”
„De Ouwe is ook niet van gisteren!” meende Pim. „Dacht je, dat ie niks in de smiezen krijgt, als ie ziet dat wij ’t allemaal even goed hebben gemaakt?”
„Niet allemaal!” viel Jan Kroon hem in de rede. „Rob Felten niet!”
„Wie zegt dat Koos Feder het goed heeft?” vroeg Walter Ter mytelen.
„Carl Heine heeft het vast slecht,” zei Dolf Reevers.
„Da’s juist het lamme!” merkte Pim heel bedrukt op. En toen tot Dolf: „Als jij ’t nou geweest was, was het zo erg niet!”
„Wel verdraaid, jij bent ook vriendelijk, zeg!” viel Dolf uit. Alle jongens schaterden het uit.
„Nou ja,” verduidelijkte Pim, „van jou verwacht de Ouwe niet anders. Jij bent nou eenmaal niet zo snugger!”
„Jij zeker wel!” beet Dolf Pim toe.
„Nee, ik ben ook geen klos!” bekende Pim gul.
„Nou dan!”
„Dat is het juist! Daarom loopt het misschien in de gaten, dat wij het zo puik hebben en Carl Heine niet!”
Er waren er meer, die het een leüjk geval vonden en opeens joeg Bram Hoevers de hele bende de stuipen op het lijf met zijn opmer king: „Als ie ons nou maar geen nieuwe proef geeft!”
„Ben je nou gek?” zei Walter Termytelen en hij verschoot van kleur bij de gedachte alleen, dat die ramp hem misschien boven het hoofd hing.
„Nou, dan kan ik mij laten hangen!” zuchtte Dolf Reevers.
Maar Jaap Kroon beweerde, dat de Ouwe dat niet doen mocht.
„Hij heeft toch geen bewijzen!” riep hij. „Hij mag toch maar zo niet ’n nieuwe proef geven!”
„Ja, daar zal de Ouwe jou naar vragen!” zei Bram droogjes.
„Enkel en alleen” - ging Jaap door, „omdat Dolf het nou toe vallig eens goed heeft en Carl Heine niet?”
„Nee, dat zou al ’n verduveld gemene streek zijn!” meende Dolf. De eerste keer waratje, dat hem dat in zijn leven overkwam!
„Laten ze ’t maar eens bewijzen!” riep Jan Kroon brani.
Ook Jan was er zeker van, dat hem niets kon overkomen, als zij niet verraden werden. En wie zou dat nu verraden? Ze hadden toch allen gezworen!
„Carl, Koos en Rob niet!” zei Bram Hoevers.
Nou ja, die zouden het wel uit hun hoofd laten, nu zij wisten wat voor straf er opstond! meenden de anderen.
Nee, Pim kon gerust wezen. Het zou niet uit komen, nooit!
Maar Pim was daar zo zeker nog niet van en de hele dag zat hij op kolen, doodsbang, dat er toch nog iets uit zou lekken. Want voor hem was het veel erger dan voor de anderen. Was hij het niet geweest, die naar binnen was geklommen en de vragen had gegapt? Ja, gegapt! Dat was het eigen woord van Rob ge weest. Zo zou de Ouwe het ook noemen, als het uit kwam. En zijn vader en moeder natuurlijk ook! En dat vlak voor de grote vacantie!!
En die zakdoek, die ellendige zakdoek!! Die had hij altijd nog maar niet terug! Maar Jan en Jaap Kroon beweerden, dat dit juist ’n goed teken was.
„Als ze die zakdoek hadden gevonden, had je immers al lang er wat van gehoord!” stelde Jaap hem gerust.
„Wel ja, die heeft Bor natuurlijk al lang weggegooid!” ver zekerde Jan met de grootste stelligheid.
„Zou je denken?” vroeg Pim. Hij wou het zo graag nog eens horen.
„Vast!” beweerden de beide broers tegelijk.
„Weet je wel zeker, dat je je zakdoek bij dat gordijn hebt laten liggen?” vroeg Jaap nog.
Nee, dat wist Pim niet eens zeker.
„Wel nou dan? Waar zit je dan over te zeuren? Ben jij nou ’n vent?”
„Ben jij nou ’n kerel?”
„Je lijkt wel niet wijs!”
Ja, ze hadden gelijk. Hij wou d’r niet langer over zeuren. Hij wilde ’n vent wezen, ’n kerel, zoals Jan en Jaap Kroon, en zo onverschillig mogelijk zei hij:
„Och wel nee, ’t kan mij ook niks bommen, die hele zakdoek!” Maar toen zijn moeder ’s avonds bij zijn bed kwam, vond zij Pim klappertandend en badend in zijn zweet.
„Wat scheelt er aan, Pim?” vroeg zij angstig.
Pim zei, dat er niks was, niemendal. Voor niets ter wereld zou hij zijn moeder hebben durven bekennen waarom hij zo benauwd was. Want nu pas voelde hij eerst recht, wat voor ’n streek hij had uitgehaald. Die zakdoek, die zakdoek gemerkt met W.T. wilde hem maar niet uit het hoofd.

Het was Vrijdagmorgen.
Weer zaten de jongens in het lokaal, wachtend op de rector. Er was spanning in de klas, als op die morgen van de proef.
Straks zou de Ouwe binnenkomen, zou hun lot beslist worden.
Er was plotseling twijfel bij allen.
„Ik wou, dat wij al ’n uur verder waren!” zuchtte Dolf Reevers.
„En ik!” zei Rob, die al even benauwd was, nu hij zou horen wat hij voor zijn proef had.
„Misschien heeft ie de proef nog niet eens nagezien!” merkte Puk Boeree op.
Nee, nee, dat wisten Bram Hoevers en Koert Warmond zeker. Zij hadden de Ouwe met de proeven onder zijn arm over de gang zien gaan. Hij had ze vast en zeker al nagekeken!
„Nou, dan zullen wij ’t dadelijk wel horen!” zei Jan Kroon, die het minst ongerust was.
„Hè! Hè!” zuchtte Dolf en de hele klas schoot opeens in de lach.
Zij waren nog zenuwachtiger en benauwder dan na een gewone proef.
Toen ging de deur open; de rector trad binnen met de proeven onder zijn arm. Tegelijk viel het alle jongens op, dat de Ouwe heel streng keek, ernstiger zelfs dan ze hem ooit hadden gezien.
„Oei! Oei!” zei Koert Warmond zacht achter zijn hand. „Daar zwaait wat!” en Dolf Reevers fluisterde: „Hij heeft ’t gesnapt!”
Pim was asgrauw en zat te beven in zijn bank.
Het werd doodstil nu in de klas.
Langzaam liep de rector door het lokaal, legde daarop de proe ven op zijn lessenaar en keek toen een ogenblik zwijgend en ern stig de jongens aan. Het was gewoon onheilspellend. Toen zei hij: „Jullie begrijpt het zeker al, hè?”
Angstige spanning lag op aller gezichten te lezen.
„Pim Termaten, kom eens hier!”
Pim trilde als ’n riet. Daar had je ’t al. Hij was d’er bij. De rector wist alles. Hij stond op en kwam naar voren.
„Deel jij die papieren eens uit!”
Pim herademde; hij had erger verwacht.
Toen Pim weer zat, sprak de rector, die al die tijd maar ernstig voor zich uit had staan kijken:
„Schrijf op: Vraag 1! Construeer de lijn x = abc/de , als a, b, c, d en e gegeven lijnen zijn,” en daarop: „Nou zullen wij eens zien, of jullie nog zo buitengewoon knap bent!”
Er was een algemene consternatie.
Dus toch gesnapt!
Alle jongens zaten met ontstelde gezichten. En het was onmid dellijk te zien, dat meer dan de helft met die vraag lelijk in de maag zat.
„Nee maar zeg, dat is me wat! ’k Weet er niks van!” fluisterde Walter Termytelen.
Jan en Jaap Kroon, Bram Hoevers, Dolf Reevers, Pim, ze zaten allen in de lucht te kijken en op hun pennehouder te kauwen.
Jan keek naar Jaap, Bram naar Puk, Dolf naar Pim, het was ellende overal. Alleen de klossen, zoals Puk Boeree, Ben Roorda, Frans Bergman en natuurlijk Carl Heine zaten te schrijven. En dit keer ook Rob Felten! Want Rob, die voor zijn proef van Woensdag alles had gevost, had er in het geheel geen moeite mee.
Dolf Reevers wierp telkens een schuine blik op Rob’s papier.
„Zeg, Rob! Rob!” fluisterde hij.
„Ja!” fluisterde Rob terug.
„Help me ’es even!”
„Da’s goed!”
Rob was altijd klaar om zijn kameraden te helpen.
„Schuif het papier wat hoger, dat ik het zien kan!”
Rob deed het.
„Nog wat naar mij toe, nog wat...”
„Dolf Reevers!”
Het had zo streng geklonken, dat Dolf bijna van schrik van de bank viel.
„Als ik je nog eenmaal snap, dan neem ik je werk af en krijg je ’n nul, begrepen?”
Dolf antwoordde niet, keek onderdanig op zijn nog altijd maag delijk blank papier.
„En jij, Rob, naar rechts! Nog meer!” Honk het bevelend.
„Denk er om, ik waarschuw geen tweede keer!”
De jongens begrepen het: er viel dit keer niet met de Ouwe te spotten! Alle zachtheid was uit zijn stem verdwenen. Hij was van een bijna ijzige strengheid.
Het werd voor de klas een vreselijke morgen. Het was of de rec tor de vragen zo had uitgezocht om de jongens eens goed te laten rijden. De ene vraag was nog moeilijker dan de andere.
Dolf Reevers zat te transpireren als ’n otter. De zweetdroppels parelden op zijn voorhoofd. Hij zuchtte al maar door. Eerst alles zo mooi en nou... hij wist niets, totaal niets en zat als een slacht offer om zich heen te kijken.
Hij was de enige niet. Meer dan de helft zat met de wanhoop op het gezicht.
Dolf was jaloers op Rob, die al maar zat te pennen en te tekenen. O, Rob vond de vragen wel vreselijk lastig, veel moeilijker dan de eerste keer; hij was er niet zeker van, dat hij voldoende zou halen voor alle vragen. Maar hij zat toch veel minder te rijden dan de vorige keer.
Carl Heine’s pen galoppeerde over het papier. Die fabriekte blijkbaar weer niets dan negens en tienen.
„Hè! Hè!” zuchtte Dolf hoorbaar.
De rector liep bij de laatste vraag de klas eens rond. Bij Walter Termytelen stond hij stil. Walter zat op ’n vreselijke manier te rijden, had van zijn laatste vraag nog geen letter op het papier.
„Vreemd, dat jij alles zo ineens vergeten bent!” zei de rector spottend. „De vorige keer wist je ’t zo prachtig!”
Alle jongens keken naar de verlegen voor zich uitstarende Walter.
„En jij, Dolf? Ben jij ook ineens alles zo kwijt?”
Dolf durfde niet antwoorden.
„En waar blijven nou al die andere bollebozen van Woensdag? Jaap Kroon en Jan, en Bram Hoevers en Pim Termaten?”
En toen opeens viel de rector - zich een ogenblik niet meer be heersend - woedend uit:
„Ik zal jullie leren mij te bedriegen, kwajongens! Dacht jullie dat dat zo gemakkelijk ging. Asjeblieft, daar gaat dat mooie werk van jullie!... Rang!”
En tegelijk scheurde hij alle proefvellen van de vorige Donder dag door midden. „Wij zullen eens zien, wie het laatste lacht!”
De bel werd geluid!
„Ophouden met werken! Vragen inleveren!” commandeerde de rector. „Ik weet nu genoeg.”
„Wij spreken elkaar nog wel later. Denk niet, dat jullie d’er zo gemakkelijk afkomt. Opgemarcheerd, mars!”

Het was een allerdroevigste uittocht. De een liep er nog treuriger bij dan de ander.
Dolf Reevers, Bram Hoevers, Jan en Jaap Kroon, Walter Ter mytelen, ze zagen er allen uit, alsof het doodvonnis over hen was uitgesproken.
Dat was me wat! Gesnapt! En ’n proef zó dun, zó allermiserabelst, als zij er nog nooit één hadden gemaakt. Nee, zij begrepen het allemaal, hier rolden zij niet meer door.
Het allerellendigst was Pim er aan toe. Hij zag er uit als de dood van Ieperen! Wat hiervan komen moest, hij wist het niet, maar hij hoorde telkens weer die woorden van de Ouwe: „Wij spreken elkaar nog wel nader!” En dat juist hij de proefvellen had moeten uitdelen, stemde hem ook niet erg gerust. Dat had de Ouwe natuurlijk met opzet gedaan.
„Hoe heb jij ’t gemaakt?” vroeg Bram Hoevers op de gang aan Dolf Reevers.
„Nou, dat hoef je niet eens te vragen. Allerbelabberdst natuur lijk! Als ik ’n twee heb, is het nog mooi!”
„Hadden wij de vragen maar nooit gehad!” vond Walter.
„Ja, nou is het nog veel beroerder!” verkondigde Bram.
Het was een algemeen gejammer op de gang. Er waren zelfs jongens, die Jan en Jaap Kroon gingen verwijten, dat zij met de vragen waren gekomen. Dat was de oorzaak van heel de ellende geweest.
Maar Jan en Jaap verdedigden zich heftig.
„Nou nog mooier!” riep Jaap Kroon verontwaardigd.
„Als Jan, Pim en ik de vragen niet aan de hele klas hadden ge geven, dan zou je eens wat gehoord hebben!”
„We zijn stom geweest, Jaap, om ze niet voor ons zelf te houden!” zei Jan.
Toen keek Jaap in de richting van Rob Felten en dreigend klonk het tot de jongens, die om hem heen stonden:
„We zijn verraden, wat ik jullie zeg!”
Maar Dolf Reevers en Koert Warmond kwamen daar onmiddellijk tegen op. Nee, dat konden zij van Rob niet geloven.

„Hoe zou het anders ooit uitgekomen zijn?” vroeg Jan Kroon.
„Nou, dat kan ’n kind wel snappen!” meende Koert.
„Als Dolf het goed maakt en Carl Heine slecht!”
„Ja, da’s waar!” bekende Dolf gul.
Na zijn schrikbarend slechte proef van zoëven was hij er niet eens door in zijn wiek geschoten, dat Koert het nodig had gevonden juist hèm te noemen.
Neen, het was volkomen logisch meenden zij, dat de Ouwe dit in de gaten had gekregen.
Het mòest wel uitkomen. Het was ’n bar stomme zet van hen geweest.
Maar Jan en Jaap Kroon gaven dat niet toe.
„Dan had de Ouwe liet diezelfde morgen al in de gaten moeten krijgen!” argumenteerde Jan.
„Ja, daar was wel iets van aan!”
„Hij heeft toch dadelijk gezien dat wij allemaal zaten te schrij ven en dat Carl Heine reed!”
Jan en Jaap wonnen terrein. Het was volkomen waar wat ze zei den, dat de Ouwe die morgen toch niets in de gaten had.
„De Ouwe mòet het van iemand gehoord hebben!” beweerde Jaap met de grootste stelligheid.
„Dat kan niet anders!” En met nadruk herhaalde hij nog eens:
„Er is een verrader onder ons!”
Jan en Jaap hadden het met zoveel beslistheid gezegd, dat vele anderen nu ook gingen twijfelen.
„Als we ’m te pakken krijgen!!”... zei Jaap dreigend en hij keek weer in de richting van Rob.
„Nou, dan zal ie d’er van lusten!” viel Jan woedend uit.
Het woord verraad ging nu door de hele klas. Zo zonder enig onderzoek verscheurde je toch maar niet alle proeven. Er moest wel iemand zijn die hen verraden had. Dat stond bij de meesten wel vast. Maar wie? Wie?
Rob Felten?
Nee, dat konden maar heel weinigen geloven.
Zoiets was niks voor Rob. En opeens werden de namen van Carl Heine en Koos Feder genoemd. Carl kon nooit hebben, dat een ander ’n mooier cijfer had dan hij. En nu? Nu had hij alleen gereden en tic andere jongens hadden allen - behalve Rob - het goed gemaakt. Had hij niet gegriend als ’n kleine jongen? Volgens sommigen stond het vast, dat Carl hen verraden had.
Maar er waren ook verscheidenen, die Koos Feder wantrouwden. Koos spiekte nooit en zat altijd te schelden op jongens die dat wel deden. Hij had meer dan eens - tot verontwaardiging van de halve klas - de mening verkondigd, dat jongens, die spiek ten, mooie cijfers onverdiend kregen ten koste van hun kame raden. Ja, had Koos Feder onlangs zelfs niet tegen Walter Termytelen, die met spieken voor geschiedenis ’n acht had gehaald, gezegd, dat ie door zijn klasgenoot er bij gelapt behoorde te wor den? En dat hij jongens die spiekten, oneerlijk en gemeen vond? Iemand die zo iets zei, kon een hele klas verraden!
Maar Jaap Kroon geloofde daar niets van.
Rob wou hen - Jaap, Pim en Jan - „’n loer draaien!”
Dat had Jaap van die eerste avond af al begrepen. Rob had dadelijk al vals gekeken, toen Jaap met dat plan kwam om in te breken. En later had hij natuurlijk nog meer het land gehad, toen hij alleen met Carl zat te rijden. Jaap vertrouwde Rob voor geen cent meer en hij verkondigde dit tegen een ieder, die het maar horen wilde.
Doch Dolf Reevers en Koert Warmond geloofden niet aan ver raad. En als zij verraden waren, dan moest Koos Feder of Carl Heine het hebben gedaan. Daar waren zij zeker van.
De enige, die geen woord zei en die al maar met een bedrukt, angstig gezicht heen en weer liep was Pim Termaten. Want voor hem stond het vast, dat als zij verraden waren, het niet door Carl Heine, Koos Feder of Rob Felten was, maar door een en kele simpele witte zakdoek, gemerkt W.T.
Wat er van deze ellendige geschiedenis nog verder moest komen! Pim durfde er nauwelijks aan denken. Van alle jongens zat Pim Termaten het allermeest in de benauwdheid. Hij begreep heel goed, dat die proef van deze morgen nog maar de eerste van een hele reeks beproevingen was geweest! Hij hoorde telkens weer in zijn gedachten de woorden van de Ouwe: „Wij spreken elkaar nog wel nader! Denk niet, dat jullie d’er zo gemakkelijk afkomt!”
Wat de rector verder van plan was... Pim durfde er haast niet aan denken.